Historie

IS DE PVDA-HORST EEN ‘KIND VAN JOOP DEN UYL’?
OF IS DE AFDELING ONDER INVLOED VAN BIJZONDERE PLAATSELIJKE OMSTANDIGHEDEN ONSTAAN? OF WAREN BEIDE BELANGRIJK?
Door André de Bruin, m.m.v. Wim Moorman, Arie Stas en Servaas Huys
Toen de Partij van de Arbeid in 1946 werd opgericht had zij niets meer van wat Marx en Engels eens voor ogen stond. Afstand was genomen van hun historisch materialisme, de klassenstrijd en het geloof in de wereldrevolutie. In plaats daarvan kwam “het personalistisch socialisme”, gebaseerd op een sociale ethiek ontleend aan humanisme en christendom. Met democratische middelen werd een doorbraak beoogd: een afbraak van de verzuilde politiek en bijbehorende inrichting van de samenleving. Deze “doorbraakgedachte” was niet uit de lucht komen vallen, hoewel het beginselprogramma van 1937 nog wel enige marxistische trekken had vertoond.1 De oprichting van de PvdA-Horst lijkt vooral toe te schrijven aan het politieke klimaat van de jaren ’60 – de oprichting van D66, de opkomst van Nieuwe Links en het feminisme – kortom een breed gedragen emancipatie – én het kabinet van Joop den Uyl (1973-’77), wiens streven naar een eerlijker verdeling van Inkomen, Macht en Kennis de publieke discussie inspireerde.2 Daarnaast speelden uiteraard plaatselijke gebeurtenissen een belangrijke rol. Volgens sommige tijdgenoten toen zelfs een dominante. Dit alles leidde in 1975 tot de oprichting van de PvdA-Horst.
DE TIJD TUSSEN DE TWEE WERELDOORLOGEN
1918-1940
Strijd over de onderwijsfinanciering en het algemeen kiesrecht. In 1917 waren de confessionele partijen bereid de volkssoevereiniteit te accepteren3 in ruil voor de financiering van het protestantse en het katholieke lager onderwijs. De regering, (door een beperkt kiesrecht) gedomineerd door liberalen streefde toen via openbaar onderwijs naar integratie van álle godsdienstige denominaties, terwijl de voorstanders van confessioneel onderwijs juist segregatie beoogden.4 De Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) – de voorloper van de PVDA – en de progressieve liberalen [de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB)] wilden algemeen kiesrecht en gingen akkoord met de financiering van het gehele onderwijs, waar zij op zich niet tegen waren. Voor de confessionelen telde primair de financiering van hun lager onderwijs die noodzakelijk was om elkaar ideologisch te kunnen blijven bestrijden.
1 Beginselprogramma 1937: Art. 1: “de partij stelt zich ten doel de verwezenlijking van het democratisch socialisme: een maatschappij op de grondslag van gemeenschapsbezit van de voornaamste productiemiddelen, met gemeenschapsbezit van het bedrijfsleven en met waarborgen van geestelijke en staatkundige vrijheid, opdat voor allen welvaart en bestaanszekerheid mogelijk worden, gelijke maatschappelijke voorwaarden tot ontplooiing van persoonlijkheid worden geschapen en het gemeenschapsleven kan op bloeien.” Wel werd een opening gemaakt naar gemeenschappelijke overlegorganen van staat, werkgevers en werknemers. Zie: W. Banning en J. Barents Socialistische Documenten (Amsterdam 1952), 65, 171.
2 Anet Bleich Joop den Uyl 1919-1987 Dromer en doordouwer (Amsterdam 2008)
3 Volkssoevereiniteit werd afgewezen, niet de men, maar God was soeverein, zo werd zowel door orthodox protestanten in de Drie Formulieren van Enigheid) als door ‘Rome’ in 1832 (in de encycliek Mirari Vos ) gedicteerd, room katholieken gesteld.
4 Andre de Bruin Het ontstaan van de schoolstrijd. Een cultuur-historische studie Proefschrift RU Leiden (Barneveld 1985). De these is gebaseerd op een analyse en evaluatie van protestantse en rooms-katholieke tijdschriften alsmede politieke polemieken.